nhk int 1

Historie

Ned. Herv. Kerk Anjum (Interieur I)

 

In de Anjumer Ned. Herv. Kerk treffen we vier herenbanken aan. De twee overhuifde banken stammen grotendeels uit de 17e eeuw. De kap rust op kolommen die voor een derde geornamenteerd zijn. Op de hoeken van de kap staan gesneden bollen. Twee kolommen en twee bollen zijn bij de restauratie van 1975 hersneden. De twee andere banken, waarvan het bovenste gedeelte van het rugschot uit een spijlenfries bestaat, dateren uit de 18e eeuw. In het achterschot van een van deze staan de wapens en namen vermeld van Ids Jacobs Eizenga, mederechter van Oostdongeradeel, en Jantje Gerrits Sinia, 1782. Verder bevinden zich in de kerk 22 banken met spijlenfriezen en knoppen. De eerste gegevens betreffende het interieur vinden we in de rekeningen van 1616. In dat jaar verdiende Albert Doeckes drie goudguldens "van ses daegen arbijtsloon van eenighe nije bancken met sijn knecht". In deze dagen is het gerstenat kennelijk rijkelijk gevloeid getuige het opgevoerde bedrag dat aan brouwer Jeppe Peters moest worden betaald.

 

In de zuidmuur, waar nu ongeveer de preekstoel staat, moet vroeger een deuropening zijn geweest die toegang gaf tot een uitgebouwde consistoriekamer. We kunnen dit opmaken uit een contractje uit 1626 betreffende de koop van een graf door Ds. Hilarius Sibrandi. Hier staat vermeld dat men hem "heeft gegunt seecker legersteede ofte begraefplaetse in onse kercke ten voeten ende van wijlen Epo Barels begraefplaets van 't suiden begonnen van het consistorijkamercke tot die noorderbancken toe." Tijdens de laatste restauratie is van dit uitbouwtje niets terug gevonden.In 1666 werd besloten een orgel in de kerk te laten bouwen. Het instrument werd geplaatst op een vier houten kolommen rustende galerij. Er onder kwamen nieuwe banken die door Jacob Cornelisz werden gemaakt. Tevens zorgde hij voor een trap naar de nieuwe orgelgalerij. Deze gelegenheid werd tevens aangegrepen om het gehele interieur te verfraaien. Zo werd er voor 32 guldens en 4 stuivers hout gekocht van Livius Holtcoper t.b.v. een lambrisering langs de wanden.De, in 1631 voor 212 guldens door Johannes kistmaker gemaakte consistoriebanken, werden door Jacob Cornelisz vernieuwd. Het jaar 1681 was voor Anjum een rampjaar want een windhoos verbrijzelde in korte tijd "onse heerlicke kercke ende toren tot Aenyum". De toren viel op de kap, waardoor die "langs de kerck tot op het muerwerck geheel is afgebrooken ende verbreekende de predikstoel geheel en het vierkant met stoelen ende bancken, ja oock het schoone nieuw gemaackte orgel."Helaas weten we vrijwel niets van het herstel want over de periode 1681 tot 1684 (gedeeltelijk) ontbreken de rekeningen. Gelukkig vinden we in 1684 nog juist het herstel verantwoord aan Pijter Martens, wiens naam in de nog bestaande houten gewelfschotel wordt vermeld.

 

Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze herbouw een nieuwe preekstoel is gemaakt en dat het uitgebouwde consistoriekamertje is verdwenen. Wel komen we iets te weten over de kleur van het meubilair. Aan Hendrick Douwes "meester glaesmaker tot Dockum" werd in 1684 35 guldens en 20 stuivers betaald voor het verven en vergulden van de kerk. De toen aangebrachte goudkleur is later bij de kerkeraadsbank onder de groene kleur teruggevonden. De preekstoel werd in 1741 voorzien van een stander en een knop die men elders had laten maken. Voor het vervoer moesten de kerkvoogden aan de schipper 5 stuivers en 18 penningen betalen. In ditzelfde jaar werden enkele nieuwe banken gemaakt en een nieuwe lambrisering aan de zuidzijde aangebracht. Jan Pouwels en Eeke Johannes brachten hiervoor 57 guldens en 15 stuivers in rekening. De banken werden van knoppen voorzien die door Foppe Sipkes voor vier guldens werden vervaardigd. Zes jaar later werden het "verwulft", de banken en de schotten opnieuw geverfd. Twee lantaarns zorgden in deze periode voor verlichting in de kerk. Zij werden in 1753 voor tien guldens geleverd door Sjouke Neuteboom uit Leeuwarden. Daarnaast had men de beschikking over een aantal kandelaars. Uit de kerkrekeningen weten we dat die vanaf 1760 regelmatig werden geschuurd door Fetse Jacobs die hiervoor jaarlijks 1 gulden en 4 stuivers ontving. Zoals bekend ontbreken de rekenboeken van 1763 tot 1850 zodat over deze periode vrijwel niets bekend is. In 1858 worden nog bestekken en begrotingen verantwoord door H. Raadsma voor ornamenten en 14 nieuwe lampen.

In 1887 voltrok zich een scheuring in de kerkelijke gemeente. Het kerkgebouw was enkele jaren in handen van de nieuwe gereformeerde gemeente maar in 1891 kwam men, na veel geharrewar, tot overeenstemming en bouwden de gereformeerden hun eigen kerkgebouw. In 1887 voltrok zich een scheuring in de kerkelijke gemeente. Het kerkgebouw was enkele jaren in handen van de nieuwe gereformeerde gemeente maar in 1891 kwam men, na veel geharrewar, tot overeenstemming en bouwden de gereformeerden hun eigen kerkgebouw. In 1910 werd het interieur grondig onder handen genomen waarbij de preekstoel verhuisde van de zuidmuur naar het genoemde houten schot. Het kerkgebouw werd in 1925 voorzien van electriciteit door, onder de ouderen onder ons nog wel bekende, Jacob Mosselman.

In 1975 werd een algehele restauratie ondernomen onder leiding van het bureau Van Manen en Zwart.